AUTEURS: PETER BECKER (HAAGSE HOGESCHOOL) EN MENNO THIJSSEN (EDUMUNDO)

 

CURRICULUMVERNIEUWING

NAJAAR 2018

Curriculumvernieuwing staat bij veel opleidingen in het hbo hoog op de agenda. Opleidingen staan voor de uitdaging om studenten toekomstbestendig op te leiden terwijl het werkveld waarvoor zij opleiden sterk aan het veranderen is. In dit whitepaper gaan we in op de doelen die opleidingen met een curriculumvernieuwing nastreven en bespreken we een aantal trends die we bij de verschillende hogescholen tegenkomen. Bovendien treft u een aantal concrete tips aan die kunnen helpen bij het actualiseren van uw curriculum.

Verf roller

Redenen om het curriculum juist nu aan te pakken

1. De taak van het hoger onderwijs om studenten voor te bereiden op hun professionele en maatschappelijke carrière is uitdagender dan ooit, omdat de toekomst onzeker is en de omstandigheden snel veranderen.

Deze veranderingen komen voor een groot deel voort uit de technologische ontwikkelingen. De impact daarvan op het werkveld is inmiddels zo groot dat alle sectoren de gevolgen daarvan ondervinden. Het World Economic Forum voorspelt dat binnen enkele jaren bijna de helft van het werk door machines zal worden uitgevoerd. Studenten moeten daarop worden voorbereid door hen op de eerste plaats technische vaardigheden bij te brengen. Zij zullen echter vooral moeten worden getraind in het zelf aanleren van nieuwe technieken en vaardigheden. De veel gehanteerde 21st century skills, waaronder ICT-geletterdheid, nieuwsgierigheid en kritisch denken, sluiten hierbij aan.

ICT-GELETTERDHEID
21st century skill
 
NIEUWSgIERIGHEID

21st century skill

KRITISCH DENKEN

21st century skill

2. Ook de studentenpopulatie is sterk aan verandering onderhevig. Inmiddels betreedt generatie Z de hogescholen.

Deze generatie kent geen wereld zonder internet en mobiele devices, en technologie is een vast onderdeel van het leven geworden. Het maakt het voor hen mogelijk om tijd- en plaatsonafhankelijk te communiceren, op afstand samen te werken en snel informatie te vinden en te delen. Door hun ervaring met social media en initiatieven als Uber zijn zij meer geneigd te denken in netwerken dan in hiërarchieën. Het hoger onderwijs kan daarop inspelen door technologie en netwerkdenken deel te laten uitmaken van het didactisch concept. Concepten als blended learning, online samenwerken en flipping the classroom zijn daar duidelijke voorbeelden van. Een succesvolle implementatie van ICT in het onderwijs vraagt echter vaak om een drastische aanpak, omdat technologie, inhoud en didactiek goed op elkaar moeten worden afgestemd. Toekomstdenker Jan Rotmans spreekt zelfs van onderwijs 3.0, omdat inhoud, didactiek en organisatie volgens hem drastisch op de schop moeten.

Nieuw Onderwijs

 

3. Een derde reden om te werken aan curriculumvernieuwing is het geringe rendement van een aantal opleidingen.

Studieuitval in het hoger onderwijs is reeds enige jaren een punt van aandacht bij zowel beleidsmakers als de opleidingen zelf. De uitvalcijfers verschillen sterk per opleiding, maar liggen gemiddeld rond de 30% in de propedeusefase. Deze situatie wordt als onwenselijk ervaren, omdat het voor de studenten zowel verloren tijd en geld als veel frustratie kan betekenen en er daarnaast sprake is van een grote kostenpost bij de opleidingen en de overheid. Onderzoeken naar de oorzaken van studie-uitval geven aan dat er veel verschillende redenen zijn waarom studenten een studie staken. In het eerste jaar wordt dit vooral verklaard door een onzorgvuldig keuzeproces voordat studenten zich inschrijven. Opleidingen worden echter ook gestimuleerd om hun curricula tegen het licht te houden en te beoordelen op studeerbaarheid en de rol van studieloopbaanbegeleiding. Vaak zijn op dat gebied vernieuwingen nodig.

Aanpak

Bij een curriculumvernieuwing komt veel kijken. Opleidingen kiezen voor een traditionele vorm van backward design: na het vaststellen van een (landelijk) eindprofiel wordt onderwijs ontwikkeld dat daar stap voor stap voor opleidt. Door de eindtermen leidend te maken is de ontwikkeling gericht op datgene wat de student moet kunnen (learning) in plaats van datgene wat een boek voorschrijft of wat de docent zelf interessant vindt (teaching). Het probleem bij deze benadering kan zijn dat het eindprofiel niet lang statisch kan blijven. Zoals hierboven geschetst, is het werkveld volop in beweging en een gedetailleerd eindprofiel is op het moment van vaststelling alweer bijna verouderd. De meeste opleidingen en landelijke organisaties kiezen er dan ook voor om een profiel op te stellen met een hoog abstractieniveau. De vorming van zogenoemde brede bachelors speelt hier een rol in. Dit laat ontwikkelaars van de opleidingen ruimte om eigen invullingen te geven aan de geformuleerde competenties. Deze ruimte is enerzijds welkom, maar de concrete invulling plaatst de ontwikkelaars niet zelden voor uitdagingen. Een iteratieve aanpak waarbij het einddoel niet bij voorbaat vastligt, maar gevormd wordt door de inzichten tijdens de ontwikkeling ervan geeft meer flexibiliteit. Docententeams kunnen op deze manier learning communities vormen waarbij ze, samen met het beroepenveld, lerend ontwerpen en ontwerpend leren.

 
 

Naast een inhoudelijk profiel geeft een gedragen onderwijsvisie richting aan het proces van curriculumvernieuwing. In de onderwijsvisie wordt enerzijds ingegaan op de doelen die men zich heeft gesteld (Wat voor professionals willen wij afleveren?) en anderzijds op de didactische aanpak die de instelling of opleiding daarvoor wil hanteren. Onderwijskundig onderzoek van de laatste jaren heeft een aantal nieuwe inzichten opgeleverd die door het hbo worden omarmd. In de praktijk blijkt dat er veel variabelen zijn die het succes van een didactische aanpak beïnvloeden, zoals de studentpopulatie, domein, docenten, organisatie en faciliteiten. Er is dan ook geen gouden formule met garantie voor succes en sommige inzichten spreken elkaar zelfs tegen. Wel kunnen we een aantal algemeen aanvaarde inzichten herkennen. Zo zien we dat opleidingen de laatste jaren beter zijn gaan nadenken over de functie en vorm van toetsen. Daarbij is onderscheid te maken tussen formatief toetsen waarbij feedback een belangrijke rol speelt (zie bijvoorbeeld Dominique Sluijsmans ) en summatief toetsen waarbij studiepunten in het geding zijn. Volgens het gedachtegoed van Janke Cohen-Schotanus kan summatief toetsen uitstekend worden ingezet om studenten ‘in beweging’ te houden, omdat dit inspeelt op de overwegend aanwezige extrinsieke motivatie. Door toetsen verspreid over een onderwijsperiode aan te bieden met een cumulatieve berekening, verzekert de opleiding zich ervan dat studenten de stof met regelmaat serieus bestuderen. Bovendien is er in een vroeg stadium inzicht in het ‘presteren’ van de groep en de individuele studenten, zodat er eventueel kan worden bijgestuurd. Naast de nadruk op toetsing is er veel aandacht voor blendedlearningconcepten en de betrokkenheid van het beroepenveld bij het onderwijs. De Belgische hoogleraar Filip Dochy presenteert een compleet model waarbij een aantal inzichten samen komen onder de naam High Impact Learning. Dit model bestaat uit zeven principes, waaronder communitydenken (aansluitend bij de eerder genoemde netwerkbeleving van studenten), de inzet van realistische opdrachten, reflectie en de verschillende vormen van toetsing. Het model van Dochy kan een waardevolle basis zijn voor een onderwijskundige visie, maar zoals met veel visies het geval is, roept het ook de vraag op hoe een en ander daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.

 
 

Met een gedragen eindprofiel en didactische visie kunnen ontwikkelaars aan de slag. Het is belangrijk dat ze daarbij goed worden gefaciliteerd en worden gevoed door ontwikkelingen in de beroepspraktijk en de ervaringen bij andere opleidingen. Opleidingen hebben traditioneel de neiging om zelf het wiel uit te vinden, terwijl er veel kan worden geleerd van de ervaringen van anderen. Veel kan worden gerealiseerd op zogenoemde ‘heidagen’ waarbij docenten ‘dedicated’ met elkaar aan de slag gaan en tussendoor geïnspireerd worden door presentaties en workshops.
Natuurlijk is het studentperspectief een belangrijke factor bij het ontwerpen. Studenten kunnen op verschillende manieren input geven tijdens het ontwerpproces of zelfs mee-ontwerpen, maar ontwikkelaars zullen zelf ook regelmatig door de ogen van een student naar het ontwerp moeten kijken: ‘Is de studielast goed verdeeld?’, ‘Is de samenhang duidelijk?’, ‘Zijn de toetsmomenten goed verdeeld?’ Met name dat laatste is een belangrijk aandachtspunt bij de inzet van cumulatieve toetsing. Het aantal toetsen gaat daar immers mee omhoog en dan is een goede afstemming tussen de vakken een belangrijke voorwaarde.

Trends

Bij herontwerpen van curricula zien wij een toegenomen rol voor toetsing als onderdeel van het didactisch concept. Zowel de ideeën van Dominique Sluijsmans over formatieve toetsing en feedback als die van Janke Cohen-Schotanus over cumulatief toetsen worden op dit moment volop geïmplementeerd in het hbo. Naast het feit dat het studenten motiveert om met de stof aan de slag te gaan, biedt het monitoringsmogelijkheden voor de opleidingen. Monitoring wordt door veel opleidingen gezien als een belangrijke factor die het studiesucces kan beïnvloeden. Door vroegtijdig te signaleren hoe actief een student is, kan een opleiding tijdig interventies plegen waar nodig. Ook de aandacht voor een krachtige implementatie van studieloopbaanbegeleiding sluit hierbij aan. Studenten leren daarbij niet alleen noodzakelijke vaardigheden op het gebied van ‘leren leren’ en persoonlijke ontwikkeling; de opleidingen hebben ook een instrument om de inzet en voortgang van de studenten op dit terrein te monitoren.
Om het onderwijs aantrekkelijker, realistischer en actueler te maken verstevigen opleidingen de samenwerking met de beroepspraktijk. Niet zelden zijn organisaties zogenoemde ‘partners in education’ waarbij zij zowel bij de ontwikkeling als bij de uitvoering van het onderwijs actief betrokken zijn. Dit sluit goed aan bij het principe ‘realistische opdrachten’ uit het genoemde High Impact Learning van Philip Dochy.
Een andere inhoudelijke trend vormt de integratie van algemene skills met de vakinhoud. Vakken als communicatie en onderzoek worden gekoppeld aan inhoudelijke opdrachten waarbij studenten de skills direct inzetten bij het maken van een zo realistisch mogelijke opdracht. Voorbeelden hiervan zijn het correct schrijven en presenteren van een adviesrapport.
Inmiddels wordt ICT volop omarmd als didactisch instrument. Ging het in eerste instantie vooral nog om het bekijken van kennisclips in het flipped-classroom-concept, inmiddels worden studenten gestimuleerd en gefaciliteerd om online samen te werken, feedback te geven, stof te bestuderen, te oefenen en educatieve games te spelen.
Mede dankzij de inzet van ICT is het mogelijk om leerroutes aan te bieden die flexibel van aard zijn. Met name in de hoofdfase en bij het deeltijdonderwijs worden flexibele elementen in het curriculum ingebouwd zodat studenten de inhoud en didactische aanpak kunnen kiezen die het beste bij hen past.

 

Ten slotte zien wij een aantal vernieuwingen betreffende facilitaire en organisatorische aspecten. Zo brengen verschillende opleidingen veranderingen aan in het gebouw en de werkomgeving van docenten waardoor sprake is van meer open en flexibele omgevingen die ruimte bieden aan een grote verscheidenheid aan didactische werkvormen. Ook experimenteren opleidingen met de personele bezetting. Door kennisoverdracht efficiënt in te richten ontstaat ruimte om bij werkcolleges twee docenten in een klas te zetten, hetgeen de kwaliteit van de begeleiding en de aandacht voor de studenten ten goede komt. Verder is een aantal opleidingen bezig om devices als de mobiele telefoon te omarmen als factor in het leerproces. Voor de huidige en toekomstige generatie studenten vormen deze devices een onderdeel van hun bestaan, zij moeten dus een plaats krijgen in het curriculum.

Onze ideeën over curriculumvernieuwing

Wij denken dat de geschetste vernieuwingen veel kansen bieden om een betere aansluiting te krijgen bij het beroepenveld en de belevingswereld van de studenten. Een vernieuwing moet wat ons betreft een constante zijn en dat stelt eisen aan het curriculum – er moet immers ruimte zijn voor nieuwe ontwikkelingen – en aan de organisatie.


 

Natuurlijk kent het proces van vernieuwing een aantal uitdagingen. Docenten moeten in beweging komen en daarvoor moeten de juiste condities worden gecreëerd en is er draagvlak nodig. Het vernieuwen van vorm en inhoud vergt immers heel veel tijd en ruimte. Daarbij moet er gelegenheid zijn om met deze vernieuwingen in kleiner verband te experimenteren. Op dit moment kampen verschillende opleidingen met budgettaire beperkingen, veelal gedreven vanuit de uitval in de propedeuse. Dit kan de vernieuwing ernstig in de weg staan. Opleidingen kunnen naar ons idee nog veel winnen op het gebied van efficiency, met name door een effectieve inzet van ICT in zowel de processen als het onderwijs, maar ook daar is vaak een investering vooraf voor nodig. Toch ligt daar de sleutel. Door het onderwijs en de faciliterende processen efficiënt in te richten ontstaat ruimte voor docenten om zich te blijven richten op nieuwe ontwikkelingen in de vakinhoud en didactiek. Wij zien dat daar bij veel opleidingen te weinig tijd voor wordt ingeruimd. De “urendiscussie” blijft dan ook een moeizame.

Afsluiting

De vraag is inmiddels niet meer of je je curriculum vernieuwt, maar op welke wijze je dat aanpakt. Op basis van onderwijskundige inzichten en de context maken opleidingen verschillende keuzes, maar duidelijk waarneembaar zijn de betrokkenheid van het beroepenveld en de aandacht voor toetsing, SLB en het gebruik van ICT. Edumundo heeft veel ervaring met zowel de inhoudelijke, didactische als technische veranderingen binnen een curriculum. Al meer dan vijftien jaar staan wij opleidingen bij en zijn we de rechterhand in dit proces.

Enkele tips voor succesvolle curriculumvernieuwing uit onze praktijk:

  • Zorg voor een eindprofiel dat ruimte laat voor vernieuwing zonder dat alles op de schop moet.
  • Zorg voor een onderwijskundige visie die gedragen wordt en richting geeft aan ontwikkelaars.
  • Doorbreek veranderweerstand met workshops en betrokkenheid.
  • Betrek het beroepenveld bij de ontwikkeling en uitvoering van het onderwijs, maar ook een uitgeverij of digitale consultant.
  • Betrek studenten in de vernieuwing.
  • Geef ruimte en tijd aan docenten.
  • Durf te experimenteren en stop niet te snel als het niet direct soepel loopt.
  • Ontwerp het onderwijs zodanig dat de uitvoering efficiënt kan plaatsvinden. ICT kan daarbij helpen.
  • Durf ook echt eens iets nieuws te doen in plaats van “oude wijn in nieuwe zakken”.
  • Bouw het curriculum zo op dat het snel is aan te passen aan de markt.

De docent als ontwikkelaar en uitvoerder

  • Geen top-downbenadering, maar docenten volop in beweging zetten. 
  • Om werkelijk te vernieuwen hebben docenten behoefte aan facilitering in tijd en voorzieningen. 
  • Docenten moeten worden voorbereid op hun nieuwe rol: dat betekent dat onzekerheden moeten worden weggenomen en dat docenten eventueel moeten worden bijgeschoold.
  • Zorg dat docenten worden geïnspireerd door de beroepspraktijk en andere opleidingen.
  • Geef docenten en studenten de ruimte om te experimenteren.

 

Referenties

  • Broeck, A. Van den, Vansteenkiste, A., Witte, H. de, Lens, W., & Andriessen, M. (2009). De zelf-determinatie theorie: Kwalitatief goed motiveren op de werkvloer. Gedrag en Organisatie, 22(4), 316-334.
  • Deci, E. L.; Vansteenkiste, M. (2004). Self-determination theory and basic need satisfaction: Understanding human development in positive psychology. Ricerche di Psichologia. 27, 17-34.
  • Deci, E.L., & Ryan, R.M. (2000). The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227-268.
  • Deci, E.L., & Ryan, R.M. (1987). The support of autonomy and the control of behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 53(6), 1024-1037.
  • Frey, B. S. & Jegen, R. (2000). Motivation Crowding Theory: A Survey of Empirical Evidence. Zurich IEER Working Paper No. 26; CESifo Working Paper Series No. 245.
  • Meens, E.E.M. (2018). Motivation: Individual differences in students’ educational choices and study success. (Doctoral dissertation). Tilburg University.
  • Meens, E.E.M., Bakx, A.W.E.A., Klimstra, T.A., & Denissen J.J.A. (2018). The association of motivation and identity with students’ achievement in higher education. Learning and Individual Differences, 64, 54-70.
  • Ryan, R.M., & Deci, E.L. (2000a). Intrinsic and extrinsic motivations: Classic definitions and new directions. Contemporary Educational Psychology, 25(1), 54-67.
  • Ryan, R.M., & Deci, E.L. (2000b). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and wellbeing. American Psychologist, 55, 68-78.
  • Taylor, G., Jungert, T., Mageau, G.A., Schattke, K., Dedic, H., Rosenfield, S., & Koestner, R. (2014). A self-determination theory approach to predicting school achievement over time: The unique role of intrinsic motivation. Contemporary Educational Psychology, 39(4), 342-358.
  • Vansteenkiste, M., Sierens, E., Soenens, B., & Lens, W. (2007). Willen, moeten en structuur in de klas: over het stimuleren van een optimaal leerproces. Begeleid zelfstandig leren, 16, 37-58.
  • Vansteenkiste, M., Sierens, E., Soenens, B., Luyckx, K., & Lens, W. (2009). Motivational profiles from a self-determination perspective: The quality of motivation matters. Journal of Educational Psychology, 101(3), 671-688.

Menno Thijssen

Peter Becker

Meer weten over dit onderwerp?

Neem contact op